ruimtevooruwplanbanner4

De nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking

ladderduurzameverstedelijkingSinds 23 juni jl. ligt een voorstel tot aanpassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking bij de Tweede Kamer. Wat houdt de wijziging, zoals minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu deze heeft ingediend, werkelijk in? De NEPROM (Verenging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen) en andere belanghebbenden hamerden al langer op een aanpassing van de Ladder, die in hun ogen leidt tot hoge onderzoekslasten, onduidelijke definities en te veel bezwaren van belanghebbenden. Die grijpen het instrument vaak aan om vanuit concurrentieoverwegingen bezwaar te maken tegen ontwikkelingen.

Met het voorstel tot aanpassing lijkt de minister te hebben geluisterd naar de praktijk. De eerste reactie van NEPROM is positief, zij is van mening dat met de aanpassing zorgvuldig ruimtegebruik en bescherming van het buitengebied meer centraal komen te staan en dat het uitgebreide motiveringsvereiste voor binnenstedelijke ontwikkelingen komt te vervallen. Maar is dat wel zo?



De belangrijkste wijzigingen in het voorstel zijn:

  • Het loslaten van de afzonderlijke treden en het schrappen van overbodige zinsneden en (huidige) trede 3 van de Ladder. Daarmee is de Ladder compacter geworden.
  • Het begrip ‘actuele regionale behoefte’ is in de nieuwe tekst vervangen door ‘behoefte’. De begrippen ‘actueel’ en ‘regionaal’ zouden in de praktijk voor veel verwarring zorgen.
  • Er is een nieuw onderdeel toegevoegd (zie artikel 3.1.6, lid 3 Bro) waarmee de Laddertoets bij flexibele planvormen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan. Dat is geheel in lijn met de bedoeling van de nieuwe Omgevingswet.

De nieuwe Ladder is hiermee compacter en beter toepasbaar. Echter, het voorstel wijzigt in onze ogen in veel concrete projecten weinig aan de huidige Ladderpraktijk. De minister geeft aan dat het uitgebreide motiveringsvereiste alleen geldt voor locaties buiten het bestaand stedelijk gebied. Maar, de strekking van de eerste trede blijft onveranderd en dat houdt in dat de behoefte voor ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied ook nog steeds moet worden aangetoond. Zoals de minister zelf schrijft, is de gedachte achter het voorstel om meer aan te sluiten bij algemene en bestaande motiveringseisen (artikel 3.1.6, lid 1 Bro en artikel 3:2 Awb). Gelet op deze bepalingen dient men altijd nut en noodzaak van een plan te motiveren, ook als dat plan niet Ladderplichtig is.

Ook zonder dat de woorden in de wettekst worden genoemd, zal moeten worden gekeken naar de regio en de actuele situatie, afhankelijk van de reikwijdte van het plan. Het aantonen van de behoefte is niet zelden een lastige opgave. Want hoe onderbouw je een kwalitatief goed en gedragen plan als er in de omgeving sprake is van leegstand, onuitgegeven bedrijventerreinen en een overschot aan plancapaciteit voor woningen? In gebieden waar deze problematiek speelt, zal het toepassen van de Ladder een uitdaging blijven.

De nieuwe Ladder biedt in onze ogen veel mogelijkheden en sorteert op mooie wijze voor op de nieuwe Omgevingswet, maar in de praktijk zal het toepassen van de Ladder ook na wijziging de nodige discussie opleveren.

Zie ook:
Samen de ladder voor duurzame verstedelijking op

Jeroen van Brussel

Jeroen van Brussel

Senior adviseur omgevingsrecht / projectleider

Contact

Contact of offerte

  • Hebt u een vraag of probleem of wilt u graag een offerte, neem gerust contact met ons op.