• Home
  • Actueel
  • Wat als de ‘mits’ in het bestemmingsplan mist?

Wat als de ‘mits’ in het bestemmingsplan mist?

lpg2

Jurisprudentie

Moeten de condities die nodig zijn om een bestemmingsplan uitvoerbaar te maken, worden opgenomen in de regels? Als het aan de Raad van State ligt, is dit wel het geval.

Een recente uitspraak bevestigd deze ontwikkeling, die al een aantal jaren gaande is. Op 8 juni 2016 heeft de Raad van State uitspraak (201507529/1/R4) gedaan met betrekking tot een tankstation nabij een afrit van de A7. Appellanten exploiteren een restaurant tegenover het tankstation en vrezen onaanvaardbare veiligheidsrisico’s als gevolg van de vestiging van een verkooppunt van lpg in hun nabijheid. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting van het onderhavige bestemmingsplan staat dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het plan nu de risicocontour binnen het plangebied valt en daarbinnen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn of mogelijk kunnen worden gemaakt. Deze conclusie is gebaseerd op een maximale doorzet van 999 m3 lpg per jaar.

Ter zitting is besproken dat deze maximale doorzet niet in de planregels is vastgelegd en dat deze ook niet is beperkt in een omgevingsvergunning voor het benzineservicestation (deze vergunning is nog niet verleend). Er is wel een veiligheidscontour van 45 m, gemeten vanaf het beoogde vulpunt, opgenomen op de verbeelding. Daarmee is het op grond van de planregels niet toegestaan ter plaatse van deze aanduiding kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten te bouwen of gronden en bouwwerken als kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten te gebruiken. De maximale doorzet van 999 m3 per jaar is echter niet gewaarborgd. Artikel 3 (lid 3.1, aanhef en onder a) van de planregels laat immers een onbeperkte doorzet van lpg toe. De Raad van State voorziet zelf in de zaak door de planregel aan te passen.

Interessant aan deze uitspraak is dat de Raad van State van mening is dat de uitgangspunten uit het milieuonderzoek moeten worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Deze uitspraak past in de lijn die is ingezet om voorwaarden, die noodzakelijk zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, hierin ook vast te leggen. In een uitspraak uit 2013 (23 oktober 2013, 201301807/1/R4) was de bouw van twee woningen in de gemeente Graafstroom aan de orde. Deze woningen mochten worden gebouwd als de bedrijfsbebouwing werd gesloopt (Ruimte voor Ruimte-regeling). De sloop van deze bedrijfsgebouwen was echter niet als voorwaarde verankerd in het bestemmingsplan. De Afdeling stelde vast dat het plan een voorwaardelijke verplichting had moeten bevatten waarmee werd bepaald dat de woningen mochten worden gebouwd, mits de sloop van de bedrijfsbebouwing was voltooid.

Ook de realisatie van landschappelijke inpassingsmaatregelen die door middel van een overeenkomst met eigenaren zijn afgesproken, moeten worden vastgelegd in de planregels van het bestemmingsplan. De Raad van State stelt in haar uitspraak van 29 december 2010 (201003274/1/R3) dat niet valt in te zien dat de gemeenteraad geen bepaling in het plan had kunnen opnemen, inhoudende dat het gebruik van het perceel conform de bestemming alleen is toegestaan, mits een beplantingshaag wordt aangelegd en in stand wordt gehouden.

Tot slot oordeelde de Raad van State in 2010 (11 augustus 2010, 200905674/1/R3) dat als uit akoestisch onderzoek blijkt dat gevels van gebouwen als dove gevels moeten worden uitgevoerd, dit in het bestemmingsplan moet worden vastgelegd. Een aanvraag voor een bouwvergunning (destijds was de Wabo nog niet in werking getreden) wordt immers niet getoetst aan het besluit omtrent hogere waarden. De uitvoering als dove gevel moet worden gewaarborgd in het bestemmingsplan.