• Home
  • Actueel
  • Nieuw (plan)schaderecht onder de Omgevingswet. Wat verandert er?

Nieuw (plan)schaderecht onder de Omgevingswet. Wat verandert er?

Door: mr. Albert Jan Meeuwissen

In januari 2017 is de consultatieversie van de Invoeringswet Omgevingswet gepubliceerd. Daarin is in afdeling 15.1 het nieuwe schaderecht opgenomen. Dit vervangt o.a. het huidige planschaderecht uit afdeling 6.1 Wro. Planschade wordt daarmee onder de noemer nadeelcompensatie gebracht. In titel 4.5 van de Awb wordt dit schaderecht in het algemeen geregeld. Deze titel zal ook van kracht worden op het omgevingsrecht voor zover artikel 15.1 e.v. van de Omgevingswet hier tenminste niet zelf al wat voor regelen.

Het nieuwe schaderecht van afdeling 15.1 gaat gelden voor alle regels uit een omgevingsplan, dus ook voor niet-planologische regels zoals milieunormeringen. Het nieuwe schaderecht lijkt overigens nog steeds in grote lijnen op het planschaderecht zoals we dat nu kennen. Ten opzichte van het huidige planschaderecht zijn er echter wel een aantal belangrijke veranderingen:

  1. Het planschaderisico wordt door het opnemen van globalere regels dan die in het geldend plan zijn opgenomen voor het bevoegd gezag (meestal de gemeente) verkleind. Dit komt omdat het wetsvoorstel deze vorm van schade, die indirecte schade wordt genoemd, vooruit schuift naar het moment van het van kracht worden van een omgevingsvergunning, de melding of (indien geen omgevingsvergunning of melding nodig zijn) de werkelijke uitvoering van het plan. Pas op dat moment kan dus schadevergoeding worden gevraagd.
  2. Doel van de regeling is bovendien om de schade te verhalen op de initiatiefnemer die profijt heeft van de nieuwe ontwikkeling. Los van de mogelijkheid om een (plan)schadeovereenkomst te sluiten, wordt dit verhaal geregeld bij de Aanvullingswet grondeigendom. Dit zal in hoofdstuk 13 van de Omgevingswet worden opgenomen. Het staat dus niet in het huidige voorstel.
  3. Vernieuwend is verder, dat het normaal maatschappelijk risico ten aanzien van de waarde van onroerende zaken wordt verhoogd van 2% naar 5%. Enerzijds betekent dit dat alleen de zwaardere (voor veel mensen herkenbare) schade wordt vergoed en anderzijds kan dit betekenen dat ‘speculatie’ op grond van planrechten en claimcultuur meer worden ingedamd.
  4. Ook het vraagstuk ten aanzien van risicoaanvaarding en voorzienbaarheid wordt bijgesteld. In artikel 15.5 lid 1 is namelijk uitdrukkelijk opgenomen dat de koper van een woning met de koop daarvan niet het risico aanvaardt van schade die kan ontstaan doordat een omgevingsplan is gewijzigd. In tegenstelling tot de huidige jurisprudentie betreffende planschade behoudt dus ook een nieuwe koper de schaderechten die de voorgaande eigenaar had. In hoeverre dit ook voor ander vastgoed (niet zijnde woningen) zal gaan gelden, zal waarschijnlijk alsnog door de jurisprudentie moeten worden bepaald. In de memorie van toelichting wordt overigens niet uitsluitend over woningen gesproken, maar de consultatieversie van de wet doet dat wel.
    Deze regeling is overigens een logisch gevolg van de mogelijkheid om globaler te mogen bestemmen. De consequentie is wel, dat ook ten aanzien van directe planschade de rechten mee gaan naar de nieuwe eigenaar, maar daar is op zichzelf niets mis mee.
    De verwachting is dat deze nieuwe regeling schaduwschade zal gaan voorkomen.

Een belangrijke vernieuwing (deels codificatie van jurisprudentie) is verder, dat er alleen sprake is van risicoaanvaarding als het bevoegd gezag een voornemen tot planherziening minimaal 1 jaar voor de publicatie van de planherziening op de (digitale) landelijke voorziening bekend heeft gemaakt. Ook moet men ten minste 3 jaar gebruik hebben kunnen maken van de regeling uit het omgevingsplan voordat die weer wordt ingeperkt.

Albert Jan Meeuwissen

Albert Jan Meeuwissen

Jurist omgevingsrecht
Contact